Medicalisering

Medicaliseren wil zeggen dat een probleem of ongerief waar voorheen geen zorg aan te pas kwam het medische domein wordt ingeduwd of getrokken. Veelgebruikte voorbeelden zijn: slaapproblemen, zwangerschap en ADHD. De term medicalisering stamt uit de 70-er jaren toen Ivan Illich zijn Medical Nemesis schreef. Illich vond dat de gezondheidszorg mensen besteelt van zelfredzaamheid en van het herstellend vermogen van het lichaam. Hij maakte ons bewust van iatrogene schade, dat is schade die ontstaat door medische diagnostiek of therapeutisch handelen. Hij wees er op dat de remedie vaak ernstiger is dan de kwaal. Gezondheidszorg is niet een panacee voor alle kwalen.

Illich koos een extreme positie, die anno 2015 nog wel degelijk een boodschap heeft. Too much medicine maakt afhankelijk en bemoeilijkt zelf nadenken. Problematisch in onze moderne zorg is dat preventie zo'n ondergeschoven plaatst heeft. Voorkomen lijkt zinloos en nodeloos vermoeiend, als de propaganda is "for every pill an ill". Zo prikkelt de zorg niet tot een gezonde leefstijl.

Bijzonder is dat het huidig beleid - geheel terecht − aanstuurt op zelfzorg en zelf regie nemen. Zelfzorg en zelf regie nemen is in de moderne gezondheidszorg echter geen sinecure, getuige de vele verhalen die patiënten met anderen delen op het internet en in de boeken die hierover verschijnen. Een recent informatief boek hierover dat ik van harte  aanbeveel is van de hand van Paul Goderis, De Kwetsbare Patiënt (zie: www.boekscout.nl). 

In alle levensfasen is regie bij de patiënt essentieel; niet in de laatste plaats tijdens de epiloog van het leven. Dertig jaar geleden lag onze 75- jarige tante Mien in het ziekenhuis. Zij was opgenomen in verband met een recidiverende en gemetastaseerde kanker. Op het nachtkastje had zij het boek Medical Nemesis liggen en aan haar voeteneind had ze een soort van doek gespannen met daarop "G.M.S.". Tante Mien was didactisch sterk, want ze wist dat alle passanten − dokters, verpleegkundigen en bezoekers − zouden vragen: "Wat betekent G.M.S.?". Voor haar was dat de opening voor het gesprek dat ze zo belangrijk vond: "G.M.S. betekent Geen Medisch Stuntwerk". Tante Mien was haar tijd ver vooruit en wilde zelf regie over haar zorg. Ze wilde samen met de arts overleggen en zelf beslissen: "Nu is het genoeg, dit wil ik niet meer".

Recent las ik Atul Gawande's Being Mortal. De vraag "When shall we try to fix and when should we not?" staat hierin centraal. Gawande voert een pleidooi voor een moeilijk gesprek (hard conversations) dat het perspectief en de wensen van de patiënt in de  laatste levensfase recht doet en inventariseert. Praat samen over vragen als 'Wat vind ik prettig?', 'Wat is nog belangrijk en wat hoeft van mij niet meer?' Het is ontluisterend dat er vaak weinig ruimte is voor zo'n algemeen gesprek, waardoor de kans dat de laatste levensfase medicaliseert sterk toeneemt. Het rapport 'Niet alles wat kan, hoeft' van de Artsenfederatie KNMG geeft helder zicht op de barrières in ons huidige zorgsysteem die passende zorg in de laatste levensfase tegenwerken. Onze houding is vaak gericht op 'doen' en niet op 'laten', en aan 'doen' hangt vaak het predicaat 'beter'. Richtlijnen zijn  gericht op 'doen'. 'Niet opgeven' is de basishouding in onze samenleving.

Ja, en dan worden er, terwijl veel zaken onuitgesproken blijven (vaak met de beste bedoelingen), zaken de zorg ingetrokken die daar niet horen. Dat is de medicalisering van het sterven.

Prof. dr. Gert Westert is hoofd van IQ healthcare en hoogleraar gezondheidszorgonderzoek/ kwaliteit van zorg in het Radboudumc. Tevens opdrachtnemer van het kennisprogramma van de Celsus academie.